Thursday, October 6, 2016

‘Business as usual’ - Verkiezingen 2016

Cees van Aanholt en Peter Greup

Wederom is er in de Verenigde Staten (VS) een confrontatie aanstaande tussen de Republikeinen en de Democraten (en een drietal onafhankelijke kandidaten). Inzet dit keer is het Presidentschap van het machtigste land van de Westerse wereld. Wie wordt de opvolger van Barack Obama? In dit artikel gaat de aandacht uit naar de Democraat Hilary Clinton en Donald Trump die de GOP op stelten zet. Hoe profileren beide kandidaten zich als het gaat om het werven van de stem van de werkende klasse. Een vergelijking van de beide kandidaten aan de hand van een drietal onderwerpen, de positie van de vakbonden, het minimum loon en de ‘right to work’ wetgeving.

Wetmatigheid
Huishoudens met een vakbond signatuur stemmen doorgaans op de kandidaat van de Democratische partij. Bij deze verkiezingen lijkt de ‘Republikein’ Trump in staat deze ‘wetmatigheid’ te doorbreken. Uit steekproeven komt naar voren dat 40% van deze populatie gevoelig is voor zijn aansprekende ‘oneliners’ en desgevraagd aangeeft voornemens te zijn op hem te stemmen.
Met zijn ‘Making America Great Again’ campagne en uitspraken als ‘we gooien een 45% toeslag op de Chinese import producten’, ‘we zullen er alles aan doen om illegale immigranten niet toe te laten dan wel uit te zetten’ of ‘de Trans Pacific Partnership deal is een afschuwelijke deal’, lijkt hij in staat Clinton in deze de loef af te steken.
Volgens Richard Trumka, voorzitter van de AFL CIO, de grootste werknemersvereniging in de VS, is er maar één manier om deze ogenschijnlijk aanlokkelijke boodschap te pareren, namelijk door het ‘onderwijzen’ van de kiezers over de feiten. Het laten zien van Trump ‘s geschiedenis van anti werknemer en anti vakbondsbeleid.
Het ‘we zullen het nog een keer uitleggen’ als remedie om dwalende leden weer terug in de eigen gelederen te voeren, klinkt enigszins badinerend, maar hoe dan ook het stemadvies van de AFL CIO moge duidelijk zijn.

Clinton versus Trump
Hilary Clinton is al sinds jaar en dag in verschillende rollen onderdeel van de politieke elite. Als kandidaat voor de Democratische partij laat zij zich leiden door het ideologisch kader van het moderne liberalisme dat staat voor sociale en economische gelijkheid, een actieve overheid die reguleert en waar nodig intervenieert.
Dit ideologisch kader geeft richting aan beleidsvoorstellen op het gehele politieke beleidsterrein. Een geheel van (schriftelijk vastgelegde) plannen dat de bron vormt voor de boodschap die tijdens campagnetijd keer op keer wordt herhaald.
Voorspelbaar en herkenbaar.
Voor Donald Trump ligt dit anders.
Er is geen sprake van een vastomlijnd (schriftelijk) vastgelegd beleidsplan dat inhoudelijk richting geeft aan zijn politieke standpunten. Zijn ideeën hebben ook weinig te maken met de Republikeinse partij. Er is geen sprake van een beleid gestoeld op een ideologie, nee, hij betreedt het politieke strijdtoneel met een boodschap waarin opportunisme en pragmatisme de toon zetten. Kaders van welke vorm dan ook lijken daarbij benauwend te werken als zouden ze de zakenman in de vormgeving van zijn politieke rol zijn beweeglijkheid ontnemen.Hoe dan ook, beiden zijn het over één ding eens; de ‘Amerikaanse’ economie als motor van de welvaart moet worden versterkt.
Wat betekent deze ambitie voor de arbeidsverhoudingen in de VS? Hoe werkt deze door in de bedrijven op de werkvloer?
Laten we de uitdaging van Trumka oppakken. Wat zijn eigenlijk de feiten?
Aan de hand van een drietal onderwerpen vergelijken we de kandidaten die met elkaar strijden om het stokje van Obama over te nemen: de positie van de vakbonden,het minimum loon en  de ‘right to work’ wetgeving.

Positie van de vakbonden
Hilary Clinton acht het noodzakelijk om samen met de vakbonden op te trekken tegen diegenen die er op uit zijn de positie van de bonden te verzwakken. ‘Samen zullen we pal staan voor wat de bonden hebben gedaan, nu doen en in de toekomst zullen doen’,
De Democraten zijn er van overtuigd dat er een belangrijke rol is weggelegd voor de vakbonden om de ambitie van het versterken van de economie waar te maken.
Het waren juist de vakbonden, aldus Clinton, die een belangrijke bijdrage leverden aan de ontwikkeling van de middenklasse en daarmee gestalte gaven aan de meest basale ‘Amerikaanse’ transactie; “Als je hard werkt en jouw deel bijdraagt, dan moet je vooruitkomen en vooruit kunnen blijven gaan”.
Clinton zegt er alles aan te zullen doen om te zorgen dat de stem van de werknemer kan doorklinken daar waar het gaat om de inzet van de factor arbeid in de publieke en private sector. Onder de paraplu van de overheid die reguleert en waar nodig intervenieert.
Kijken we naar Trump, dan is er niet direct een plan of concreet voorgesteld beleid.
Wel is er genoeg materiaal beschikbaar om een beeld te schetsen van de positie van de werknemers in het zakenimperium van Trump. Indirect geeft dit een impressie van de lijn die Trump als werkgever tot op heden gevolgd heeft en geeft het, één op één doorvertaald, een mogelijk inkijkje in wat zijn positie zal zijn als het gaat om de inzet van de factor ‘arbeid’.
Om dus een beeld te krijgen hoe Trumps ideeën over de inzet van de factor arbeid er uitzien, kunnen we ons informeren door ons te verdiepen in zijn track record.
In een onlangs verschenen publicatie van USA Today (juni 2016) wordt gesteld dat de Trump-organisatie zeker 60 keer is aangeklaagd voor het niet, dan/wel niet op tijd betalen van zijn werknemers en ‘contractors’.
Een zeer recent voorbeeld van een dergelijke aanklacht komt voort uit een conflict tussen het management van het Trump International Hotel in Las Vegas en haar werknemers en ‘contractors’.
In december, 2015, bestond er onder de werknemers het voornemen zich te verenigen en zich aldus als collectief te laten vertegenwoordigen in de onderhandelingen met het management over de arbeidsvoorwaarden. De betrokken vakbonden waren de Culinary Workers Union en de Bartenders Union, beiden aangesloten bij de werknemersorganisatie Unite HERE.
Als antwoord daarop bood het Trump management medewerkers die zich niet zouden inlaten met vakbonden, betere carrière kansen, wat in overtreding is met de National Labor Relation Act (NLRA) uit 1935. Met andere woorden; vakbondsleden werden carrière-technisch op een dood spoor gezet.
Eén van de werknemers werd zelfs ontslagen omdat ze openlijk haar steun uitsprak voor het zich laten vertegenwoordigen door een vakbond.
Eind juli dit jaar besloot de Trump organisatie het niet te laten uitdraaien op een rechtszaak voor de National Labor Relation Board (NLRB), de hoogste onafhankelijke federale instantie op het terrein van arbeidszaken, en kwam tot een schikking.
De President van de AFL-CIO heeft geen enkele twijfel over de positie van Trump. Trump’s keuze voor Mike Pence als ‘running mate’, bewijst volgens hem eens temeer de ware bedoelingen van Trump, namelijk het dienen van de belangen van ‘corporate America’ ten kosten van die van haar werknemers.
Mike Pence, oud gouverneur van Indiana is een fervent aanhanger van de vrije markt, tegen het verhogen van het minimum loon en voorstander van de ‘right to work’ wetgeving, waarover later meer.

Minimum loon
Dit onderwerp staat hoog op de agenda. De federale minimum loon bepalingen zijn vastgelegd in de uit 1938 stammende  ‘Fair Labor Standards Act’ (FLSA). Sinds 2009 heeft de federale overheid $7,25 per uur als minimum loon verplicht gesteld.
De Obama administration steunt de ‘Raise the Wage Act’  zoals ingediend  door de Democratische Senator Patty Murray en Robert  C Scott, lid van het Huis van Afgevaardigden voor de Democraten. Daarin wordt voorgesteld het minimum uurloon te verhogen naar $12 per 2020.
Eén van de belangrijkste overwegingen van de tegenstanders van dergelijke wetgeving (en dat zijn niet alleen Republikeinen) is dat het verhogen van het minimum loon zou leiden tot een verlies van werkgelegenheid.
Onderzoek zou aantonen dat 500.000 arbeidsplaatsen in het geding zouden zijn. Een dergelijke impact op de werkgelegenheid wordt echter door ander onderzoek weersproken.
Een zorg die opvallend genoeg op het niveau van de staten (ook staten waar de Republikeinen domineren) een verhoging niet in de weg staat met daarbij de staten Washington, New York en Californië als voorlopers.
Clinton is in lijn met Obama voorstander van een verhoging van het minimum loon.
Het vergroot de mogelijkheid voor de werkenden om van één baan rond te komen.
Ze zal al haar invloed uitoefenen voor een verhoging van het minimum loon op federaal niveau naar $12 per uur. Ze acht dit als inzet politiek haalbaar.
 Op staat- en regionaalniveau, zal ze – onder druk van de Sanders campagne - als leider van de Democratische partij zich inzetten om de ondergrens naar $15 te tillen.
Dat het de Democraten menens is blijkt onder meer uit het feit dat de Democratische gouverneur Cuomo van de staat New York, vooruitlopend op nationale wetgeving, al een verhoging van het minimum loon naar $15 voor werknemers in dienst van de overheid heeft ingevoerd.
Deze wordt geleidelijk ingevoerd, om te beginnen bij de ambtenaren in de stad New York, die vanaf eind 2018 kunnen rekenen op dit loon. In de daaropvolgende drie jaar zal dit worden doorgevoerd voor de overige ambtenaren van de staat New York.
Trump daarentegen verklaarde in het presidentskandidaten debat van de Republikeinen, november 2015, het verhogen van het minimum loon geen goed idee te vinden.
In mei 2016 lijkt hij daar enigszins op terug te komen. In een interview met CNN stelt hij dat iedereen voldoende inkomen moet hebben om hem of haar in staat te stellen te voorzien in het eigen levensonderhoud. En inmiddels heeft hij zich toch in concretere bewoordingen over dit onderwerp uitgelaten: een minimumloon va10 zou een bestaansminimum garanderen.
Trump draait de discussie rondom het minimum loon echter om. Hij zet in op het scheppen van zoveel banen, dat een discussie over het minimum loon niet meer nodig is. Schaarste op de arbeidsmarkt zal vanzelf de lonen opdrijven.
Is hier sprake van een breuk met de Republikeinse koers, of is dit verkiezingsopportunisme?
Mike Pence, de running mate van Trump, toont zich nog steeds een fel tegenstander. Een verhoging van het minimumloon op federaal niveau zou volgens hem een negatieve impact kunnen hebben op de laagste inkomensgroepen in de VS. Het zou leiden tot een aanzuigende werking op immigranten (zogenoemde ‘undocumented workers’ ) en het off shore plaatsen van arbeidsplaatsen stimuleren.
Wat is nu in deze de koers die het kamp Trump voert? Zoekt Trump de verzoenende (presidentiële) toon waar Pence de harde lijn verwoordt? ‘Good cop, bad cop’!?

Right to work
De ‘right to work’ wetgeving is onderdeel van de Labor Management Relation Act (LMRA) uit 1947.
De naam van deze wetgeving zet een verkeerd beeld neer. Het is wetgeving die primair gericht is op het beschermen van de werkgevers.
Het biedt staten de mogelijkheid om verplicht vakbondslidmaatschap en het verplicht betalen van contributie, de zogenaamde ‘closed shop’ te verbieden. Staten kunnen zich door het aannemen van deze wetgeving positioneren met een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor ondernemingen en investeerders.
Als presidentskandidaat voor de Democraten houdt Hilary Clinton vast aan de inzet van de Obama administration. Werknemers moeten in staat worden gesteld om ‘een eerlijk aandeel van de voorspoed voor henzelf uit te onderhandelen’. Alle wetgeving die dit onmogelijk maakt moet worden bestreden.
Clinton manifesteert zich in lijn daarmee als een fel tegenstander van ‘right to work’ en benadrukt daarbij, net als Obama, de negatieve impact van deze wetgeving op het herstel van de middenklasse. Een sterke middenklasse ziet zij als een belangrijke voorwaarde voor het versterken van de economie in de VS. Vakbonden spelen een belangrijke rol in de inkomensontwikkeling en het zekerstellen van de koopkracht van werknemers. En versterken daarmee de ontwikkeling van de middenklasse.
Tijdens de jaarlijkse conventie van de AFL-CIO in april dit jaar benadrukte zij dat de ‘right to work’ wetgeving leidt tot stagnatie in de inkomensontwikkeling en tot inkomensongelijkheid. Daar waar staten deze wetgeving hebben ingevoerd en daarmee de invloed van de vakbonden is verkleind - volgens Clinton onder druk van ‘corporate interest’ - heeft deze ontwikkeling zich laten zien.
Trump houdt ten aanzien van dit onderwerp vast aan de traditionele Republikeinse lijn, dezelfde die ook vier jaar geleden in de race voor het Presidentschap door Mitt Romney werd verwoord. Hij is een voorstander van de ‘right to work’ wetgeving en onderbouwt dat met twee overwegingen.
Ten eerste benadrukt hij dat het een recht is van werknemers om ergens in dienst te kunnen treden zonder de verplichting lid te zijn of worden van een vakbond en daarvoor verplicht contributie af te dragen.
Een tweede overweging betreft de flexibiliteit die deze wetgeving biedt aan staten, in het bijzonder aan staten die kampen met een zwakke economie, om zich te positioneren als ondernemings-vriendelijk. Invoering van de wetgeving maakt deze staten aantrekkelijker voor het doen van investeringen. Het geeft de ondernemers in hun rol van werkgever meer ruimte om in vrijheid invulling te geven aan lonen en arbeidspraktijken.
Pence verdedigde de invoering van de ‘right to work’ wetgeving door zijn opvolger in de staat Indiana met de hierboven gegeven argumenten.

Business as usual
 Clinton wil dat werknemers zich kunnen organiseren en gerechtigd zijn om zich als collectief ‘een eerlijk aandeel van de voorspoed voor henzelf uit te onderhandelen’. Binnen het huidige institutionele kader, dat de arbeidsverhoudingen reguleert dient daarom de positie van de werknemer te worden versterkt.
Haar positie op dit gebied vormt een integraal onderdeel van haar plannen om de economie er weer bovenop te krijgen. Het groeiend aantal staten dat de ‘right to work’ wetgeving omarmt, vormt daarin een bedreiging.
In 2008 ondernam Obama met de introductie van ‘Employee Free Choice Act’ (EFCA) een poging om de positie van de werknemer te versterken. Als medeauteur van EFCA zag hij in deze wetgeving een belangrijke bouwsteen voor de wederopbouw van de middenklasse. De EFCA zou er voor moeten zorgen dat werknemers hun recht op organisatie ook weer daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
Het is Obama in de eerste twee jaar van zijn eerste ambtstermijn niet gelukt om de EFCA door een door een door de Democraten gedomineerd Congress te loodsen. De EFCA bleek zelfs voor Democraten ‘too labour friendly’.
Hoe dan ook Clinton zal zich met hand en tand verzetten tegen initiatieven gericht op een verdere verzwakking van de positie van de werknemers. En als de verhoudingen in het Congress het toelaten zal ze zeker niet schromen om nogmaals een poging te ondernemen om de EFCA aangenomen te krijgen. Het zou een kroon zijn op het werk van Obama.
Trump verwacht in deze heil van de tucht van de vrije markt werking.
Inkomens worden zoveel mogelijk aan de vrije markt overgelaten. Deze zal, mits niet belemmerd door een interveniërende overheid, het herstel van de economie bevorderen en daarmee de belangen en de inkomens van alle werknemers zekerstellen.
Daar waar Clinton de succesvolle opkomst van de ‘right to work’ wetgeving ziet als een bedreiging voor al het goede dat de georganiseerde arbeid met zich heeft meegebracht, is de wetgeving, aldus Trump, voorwaardelijk voor het herstel van de economie en daarmee een stap in de goede richting.
Trump zal net als zijn Republikeinse voorgangers, zich sterk maken voor het zekerstellen van marktwerking als het mechanisme dat mits niet belemmerd ook binnen het bedrijf de belangen van de medewerkers dient. Zonder dat deze de belangen en het succes van de organisatie schaadt.
Vanuit de morele overtuiging van de sociale en economische gelijkheid zal Clinton zich met een actieve overheid die reguleert en waar nodig intervenieert hetzelfde willen bereiken.
Andere spelers, andere toon, maar bottom-line ‘business as usual’.

Cees van Aanholt is socioloog en Peter Greup is bedrijfskundige. Samen publiceren ze over onderwerpen op het terrein van de arbeidsverhoudingen in de Verenigde Staten.

No comments: