Friday, July 15, 2011

Waarom komen Amerikaanse werklozen niet in opstand

“Vroeger begrepen we dat werkloosheid een rijke voedingsbodem vormde voor radicalisering en opstanden,” aldus arbeidshistoricus Nelson Lichtenstein tegenover de New York Times. “Lang was dat een rode draad in de Amerikaanse geschiedenis, maar tegenwoordig lijkt dat niet meer zo te zijn.”
Amerika beleeft de ‘diepste banencrisis’ sinds Roosevelt, maar het politieke debat wordt beheerst door het begrotingstekort, en niet door de werkloosheid. De werklozen houden zich rustig. “In tegenstelling tot degenen die in de knel zitten in bijvoorbeeld Griekenland of Spanje, lijken de werklozen in Amerika, laten we zeggen, gelaten”, aldus de NYT.
Daarbij speelt een rol dat werklozen vandaag de dag meer verspreid wonen in de voorsteden. In de jaren zestig organiseerden de werklozen zich rond de sociale diensten en de arbeidsbureaus (zie ook de klassieker Poor People’s Movements van Piven en Cloward – DK). Veel van die kantoren zijn gesloten. Uitkeringen worden nu via de telefoon of online geregeld.
In het verleden kregen de werklozenbewegingen steun van de vakbonden, maar tegenwoordig houden veel bonden met moeite het hoofd boven water en hebben ze geen middelen meer voor zulke activiteiten. Er zijn online initiatieven om werklozen te organiseren, zoals UCubed, maar deze kunnen niet de plek innemen van initiatieven in real life. Tenslotte wordt de woede deels gekanaliseerd door de Tea Party, die ervan overtuigd is dat uitkeringen de armen stimuleren om arm te blijven.
Het artikel in de NYT sluit af met de opmerking dat het tijdens de Grote Depressie enige tijd duurde voordat de armen in beweging kwamen. Velen zagen Roosevelt als een bondgenoot en pas later raakten ze teleurgesteld. De krant suggereert dat Obama, als hij volgend jaar herkozen wil worden, te maken kan krijgen met vergelijkbare teleurstelling.
Afbeelding: The Single Men's Unemployed Association parading to Bathurst Street United Church. Toronto, Canada, ca 1930. Library and Archives Canada / Wikimedia

No comments: